|
“De zon scheen, het gras was groen en ik liep over de stenen. De stenen lagen allemaal heel dicht bij elkaar. Sommige stenen liggen niet dicht bij elkaar, maar deze wel. Ze lagen dicht bij elkaar, omdat ze elkaar aardig vinden. Als je iemand aardig vindt wil je dicht bij diegene zijn. Kijk maar naar grassprietjes, die gaan allemaal bij elkaar zitten op een voetbalveld omdat ze elkaar leuk vinden. Of ze gaan allemaal naast een sloot staan of allemaal bij elkaar in een bos of allemaal naast elkaar op een korfbalveld of allemaal dicht bij elkaar in een weiland. Snap je, de meeste grassprietjes vinden elkaar lief. Maar ik liep niet over gras, nee, ik liep over stenen die elkaar lief vonden. Soms stond mijn voet zelfs op verschillende stenen tegelijk, maar soms ook maar op één steen. Dat kan, niet bij iedereen, maar sommige mensen kunnen op één steen tegelijk staan. Je voelt eigenlijk niet op hoeveel stenen je tegelijk staat wanneer je loopt. Soms voel je het wel. Je voelt het als stenen op elkaar liggen. Dat doen ze eigenlijk nooit behalve als ze dat wel doen.”
“Hann, je dwaalt af! We zouden gewoon iets korts over ons weekend vertellen.”, zegt juf Marjo. “Gewoon door praten, ben je nog naar je opa en oma geweest? Je was bij de stenen, vertel maar snel verder.”
“Even denken hoor”, zegt Hann. “Oh ja, ik weet het weer. Ik liep niet over gras, nee, ik liep over stenen die elkaar lief vonden. Soms stond mijn voet zelfs op verschillende stenen tegelijk, maar soms ook maar op één steen. Je voelt eigenlijk niet op hoeveel stenen je tegelijk staat wanneer je loopt. Soms voel je het wel. Je voelt het als stenen op elkaar liggen. Dat doen ze eigenlijk nooit behalve als ze dat wel doen. En als ze het doen is het heel vervelend. Ik liep dus over die stenen op mijn sandalen. Want ik draag heel graag sandalen als de zon schijnt. Dan worden mijn tenen geel door de zon. De zon is geel en overal waar de zon op komt wordt ook geel. Daarom zijn Chinezen geel, die lopen gewoon heel veel in de zon. Met mijn gele tenen liep ik dus over de stenen die elkaar lief vinden. Ook had ik een broek en een jas aan. Want als de zon schijnt hoeft het nog niet zo warm te zijn dat je in je blote kont kan rond lopen. Nee, dat mag alleen als het heel warm in de achtertuin is. Of heel warm in het zwembadje, maar dan mag het zwembad niet warm zijn van je plas. Dan zegt mama dat het zwembad warm is door de plas, en dan zeg ik nee-hee, en dan zegt zij wel, want het is geel, en dan zeg ik nee-hee want dat komt door de zon. De zon maakt alles geel. En dan moet ze lachen en mag ik in mijn eigen plas blijven zitten. Wel in mijn blote kont hoor, want het is vies om in je broek te plassen. Vroeger was het niet vies, maar als je groot bent is het wel vies, want je plas wordt steeds langer. Hoe langer je bent, hoe langer je plas is. Soms is je plas zo lang dat hij langs je benen helemaal naar beneden loopt. Eigenlijk ben ik dan heel trots op zo’n lange plas, want dat betekent dat ik ook al heel lang ben. Mama vindt dat niet, die vindt het helemaal niet knap dat ik zo lang kan plassen. Mij vindt ze wel knap. Heel knap, ik ben de aller knapste van de hele wereld. Dat zegt mama dan en dan zeg ik dat ze ook knap is en dan wordt ze heel vrolijk en gaan we frietjes eten. Frietjes hebben dezelfde kleur als Chinezen, maar ik heb al verteld waardoor dat komt. Mama is ook geel geworden. Ik vond het heel mooi want ze werd steeds meer de kleur van de zon. En als je de kleur van de zon bent dan ben je ook de kleur van frietjes en Chinezen en mijn plas. Hoe geler mama werd hoe mooier ik haar vond, maar mama vond het niet leuk. Mama werd steeds droeviger hoe geler ze werd. Ook kwamen er opeens allemaal mensen die vroegen hoe het met mama ging en dan kreeg ik snoepjes. Soms ook gele snoepjes, maar die waren dan niet zo geel als mama. Mama zei ook dat het niet goed was als je geel bent. Dat vond ik stom want geel is een hele mooie kleur. Gelukkig is mama altijd geel gebleven. Ik vind het alleen jammer dat ze niet meer kan zien dat ik voortaan hele lange plassen kan maken, want mama slaapt voor altijd. Dat zeiden de mensen die mij snoepjes kwamen brengen. Dan ging ik de gele snoepjes op mama’s bed leggen zodat ze die kon eten en dan at ik de andere snoepjes op. De gele snoepjes waren niet zo mooi als mama. Zelfs de zon was minder mooi dan mama, mama is het mooist geel van de hele wereld. Als niemand keek, ging ik stiekem langs mama liggen, want dat doe je als je iemand lief vindt. Dan wil je er zo dicht mogelijk bij liggen en dat deed ik dan. Mama bleef ook goed stil liggen dus dan vindt ze me ook lief. Dan moest ik altijd denken aan de stenen die langs elkaar liggen omdat ze elkaar lief vinden. Mama is over de lieve stenen naar een auto gedragen. Mensen zeiden dat ze nu ergens anders ging slapen. Nu mama weg is, vind ik geel niet meer mooi. Alleen het geel van mama en van mijn plas.”
|